PO Geschiedenis 2008 in samenwerking met Coda

In de maanden november en december zijn vijfdeklas leerlingen van het Gymnasium Apeldoorn bezig geweest met een onderzoek in CODA voor het vak geschiedenis. Zij moesten in kleine groepjes een bepaald aspect van de geschiedenis uitzoeken aan de hand van bestaand materiaal en archiefstukken. Hier treft u 2 groepsfoto’s van de leerlingen alsmede de onderzoeksresultaten aan.

Onderzoek 1: Paleis het Loo

Ontstaansgeschiedenis
Het oorspronkelijke Loo, dat na de bouw van het Paleis Het Loo ‘Het Oude Loo’ werd genoemd, werd op 27 november 1684 gekocht door Stadhouder Willem III. Hij kocht dit van Johan Carcellis van Ulft. Uit het archief: Hij verkreeg hierbij: “ `t oude en adelijcke Huys Loo ende alle nieuwe ende oude daartoe gehorende getimmeren, grachten, hoven, boomgaerden, bouw- ende weylanden, holtgewas, plantagien, ende wateren.” Wat waarschijnlijk een belangrijke factor is geweest bij de keuze voor het landschap. Het voornaamste doel voor Het Loo van stadhouder Willem III was namelijk het als middelpunt te gebruiken voor zijn jachtpartijen. Maar aangezien Het Oude Loo al vrij snel te klein werd voor Willem III en zijn gevolg werd er in de buurt van het oude Loo gezocht naar een plek voor een groter jachthuis. Dit liet hij in de periode van 1686 – 1688 bouwen en kreeg de naam Paleis het Loo.

Het Loo in de 19e eeuw
In 1807 betrekt Lodewijk Napoleon Het Loo. Hij laat het lege paleis meubileren in Empire-stijl, maar behoudt wel de decoraties van de voornaamste vertrekken die zijn gemaakt door Daniel Marot. Hij laat het bakstenen paleis van buiten witpleisteren. De tuin laat hij ophogen en die krijgt nu het aanzien van een landschapspark. Nadat hij af was getreden, kwam Willem I aan de macht, hij was de zoon van stadhouder Willem V. Hij kreeg Het Loo tot zijn beschikking. Paleis het Loo werd in 1825 staatseigendom. Hij zette zich in voor de verfraaiing van de tuinen en liet zes grote visvijvers vergraven tot twee romantische parkvijvers. Na zijn troonsafstand, hield hij nog de beschikking over het Loo. Willem I gaf zijn kleinzonen Willem en Alexander toestemming om op het Loo weer de historische valkenjacht te beoefenen. Toen richtten zij ‘The Royal Loo Hawking Club’ op en het oude Loo was hun clubhuis. Willem II, zijn opvolger, verbleef niet tot nauwelijks in Paleis Het Loo en verbleef in plaats daarvan in Tilburg. In 1849 volgt Willem III zijn vader op. Hij deed veel aan de bossen, gaf soms concerten in het park en als er ijs lag mochten er mensen komen schaaten. Hij liet de schouwburg van koning Lodewijk Napoleon in de Westvleugel, versieren in 17e eeuwse stijl. Aan de achterzijde liet hij twee zalen aanbouwen. In de schouwburg organiseerde de koning concerten waar muziekstudenten optraden. Op 23 november 1890 overleed Willem III in het paleis. Daarna woonden Wilhelmina en haar moeder regentes Emma in het paleis. Zij liet Het Loo moderniseren, door bijvoorbeeld een aansluiting op de waterleiding aan te laten leggen. Hierdoor konden er badkamers aangelegd worden. Ook moderniseerde ze het paleis met nieuwe meubels. Toen aan het eind van de 19e eeuw Wilhelmina koningin werd, besloot ze samen met haar moeder het Paleis terug in de 17e eeuwse staat te brengen.

Het paleis na de 19e eeuw
Na de dood van Wilhelmina werd het paleis deels opengesteld voor publiek en in het andere deel (de Oostvleugel) ging prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven wonen. In 1984 werd het paleis omgebouwd tot een museum.

Onderzoek 2: De Apeldoornsche Courant

De Apeldoornsche Courant
Kranten en tijdschriften zijn nodig om de gebeurtenissen van een samenleving, hetzij van een gemeente, hetzij van een plaats, hetzij van een land, te documenteren. Dit geldt ook voor de gebeurtenissen in Apeldoorn in de 19e eeuw. Dankzij kranten en andere tekstbronnen weet men nu nog wat er zich in het dagelijkse leven van de Apeldoorners in de 19e eeuw.

Hoe verliep de oprichting van de Apeldoornse Courant?

De Apeldoornse Courant was de tweede (!) krant van Apeldoorn. Men verwachtte dat deze weer gauw zou verdwijnen, aangezien het slechts een advertentieblad was met hier en daar wat plaatselijk, regionaal en landelijk nieuws en er slechts een kleine oplage van slechts 5000 bladen per dag was.

Hoe verliep de distributie van de Apeldoornse Courant?

De distributie van de Apeldoornse Courant verliep via een vrachtrijder vanuit Deventer, die tevens de Deventer Courant uitbracht, die van Wegener was. Ook werd de krant op dezelfde plek gedrukt waar ook de Deventer Courant werd gedrukt. De afhankelijkheid van de Apeldoornse Courant aan de materialen van Wegener maakt het logisch dat de krant in 1911 werd overgenomen door Wegener.

Was er een grote behoefte aan dergelijke berichtgeving?

Deze vraag is lastig te beantwoorden want er valt natuurlijk niet terug te gaan en deze mensen te vragen of ze een grote behoefte aan een krant als deze hadden. Maar het feit dat de krant is blijven bestaan zegt naar mijn idee al genoeg. Het blad stond altijd vol met advertenties en dus was er zeker een behoefte van winkeliers om te adverteren, die door de Apeldoornse Courant werd bevredigd.

Wat stond er zoal in de krant?

De Apeldoornse krant was ten eerste vrij klein, meer dan een paar pagina’s was het niet. De voorpagina was op het begin de enige pagina met echt nieuws en de rest van de krant bestond voornamelijk uit advertenties. Het nieuws bestond uit een stukje plaatselijk nieuws, regionaal nieuws, landelijk nieuws en buitenlands nieuws. Vaak was het plaatselijke nieuws niet heel belangrijk.


Beantwoording Hoofdvraag

In het Apeldoorn was er maar een zeer beperkte aanbod qua media. De tweede krant van Apeldoorn was de Apeldoornse krant. De krant bereikte zeker niet de gehele bevolking omdat het maar een beperkte oplage had van 5000 exemplaren. En men verwachtte dat de krant maar korte tijd zou bestaan, omdat de krant vooral uit advertenties bestond met een beetje nieuws. De krant werd gedrukt in Deventer door het bedrijf dat ook voor Wegener drukte. Later heeft Wegener daarom ook de krant overgenomen. Het succes van de krant valt af te leiden aan het lange bestaan. De rol die de krant dus innam was vooral de geïnteresseerde burgers kennis te geven van het aanbod producten en diensten in Apeldoorn en daarbij de bevolking te informeren over wat er gebeurde in Nederland en de wereld.

Onderzoek 3: Cultuur en Ontspanning

Inleiding

In de 19e eeuw veranderde er een hoop in de Wereld, in Nederland, maar ook in Apeldoorn. De industrie komt op, er komen partijen met allemaal eigen ideeën en ook ontstaan er verschillende ontspanningsmogelijkheden. Over dit laatste hebben wij ons onderzoekje in CODA gehouden. Wat was er nou eigenlijk aan cultuur in Apeldoorn? En hoe vermaakte men zich toen? We hebben redelijk wat informatie kunnen vinden mbv. het archief in CODA.

Cultuur en Ontspanning

In de 19e eeuw kreeg de gegoede burgerij de leiding. Deze groep mensen was het minst statisch van de samenleving en organiseerde culturele activiteiten. De kerk had hierbij een remmende functie, het gewone volk paste zich gedeeltelijk aan. De gegoede burgerij vestigt zich in de 19e eeuw ook in Apeldoorn en vormde daar een belangrijke sociale laag.

Apeldoorn in de 19e eeuw
Apeldoorn zag er toen natuurlijk niet hetzelfde uit als nu. Het had een kern en daarom heen lag verspreid een aantal dorpen. Deze dorpen zijn uiteindelijk opgenomen in het huidige Apeldoorn. Er was echter een verschil tussen de kern en de rest van de gemeente. In de dorpen werden er veel traditionele kermissen en volksfeesten gehouden. De kerk was hier fel tegen, de gegoede burgerij had er geen moeite mee, zolang de mensen die wilden gokken maar geweerd werden.
In de kern werden meer lezingen, toneelvoorstellingen en concerten gehouden op initiatief van de burgerij.

Volksfeesten
De burgerij ging ook volksfeesten organiseren, de zogeheten volksvermaken. Soms was er te weinig geld, zoals in 1873. In zo’n geval ging het feest niet door en kregen de intekenaren, de paar mensen die wel wilde komen, hun geld terug.

Tijdens zo’n volksfeest werden er verschillende activiteiten georganiseerd, die wij tegenwoordig niet meer allemaal kennen. Zo ging men mastklimmen, boegsprietlopen, kuipsteken, ton springen, zak- en hardlopen, koek slaan en turf lopen. ’s Avonds waren er lichtbeelden en vuurwerk.

In 1869 wordt Tivoli geopend als centrum voor culturele evenementen. Tivoli is ontstaan uit sociëteitszaal van hotel De Arend.

Concerten
De concerten van toen waren meestal in de open lucht. Als het wel in een zaal werd gehouden, betekende dat dat erna meestal nog of een bal kwam, of een komiek. De leiding van dit soort concerten waren professionele mensen.
Vanaf 1880 neemt het aantal concerten toe. Waarschijnlijk komt dit door hogere eisen die de burgerij is gaan stellen.
Ook toen werden er soms al recensies geschreven in de Apeldoornse Courant, zo kregen menig toneelvoorstellingen slechte recensies.

In 1880 worden de kermissen even afgeschaft door Dhr. Mollerus. Volgens hem zouden deze kermissen het volk in een bepaalde stemming brengen wat leidde tot uitspattingen, volgens hem ongepast. Later kwam de kermis echter weer terug.

Aan het einde van de 19e eeuw kwamen er veel beroepsgezelschappen naar Apeldoorn om op te treden.
De Vereeniging tot Veraangenaming van het Verblijf te Apeldoorn is een vereniging die opgericht is door de burgerij in 1890. Ze deden dit om meer toneel van elders naar Apeldoorn te krijgen. Het publiek werd kritischer en na elke voorstelling kwam er een recensie in de Courant.

Enkele voorbeelden van verenigingen:

1) De Apeldoornse Kunst vereeniging
2) De Apeldoornse Toneel vereeniging
3) Rederijkerskamer: “De Morgenster”
4) Jeugdtoneel: “Hierna Beter”
5) Vrouwenvereniging: Felicia Vereeninging

Conclusie

Na dit onderzoekje zijn wij er achter gekomen dat Apeldoorn in de 19e eeuw nog niet eens zo levenloos was. Er gebeurde best veel op cultureel gebied en dat werd naar het einde van de eeuw alleen maar meer. Er waren feesten, kermissen, concerten en toneelvoorstellingen. Kortom, genoeg te doen!

onderzoek 4: het fonds van koning Lodewijk Napoleon

Ontstaansgeschiedenis

De instelling van het Fonds van Koning Lodewijk Napoleon is ontstaan uit de liefdadige ideeën van de 19e eeuw. Dit was in tegenstelling met de voorgaande eeuw, want toen had men een scherpe scheiding tussen arm en rijk.
Door een afnemende werkgelegenheid speelde het probleem van de werkeloosheid een steeds grotere rol. Er ontstond een steeds grotere arme massa, die weinig uitzicht had op verbetering en teerde op de liefdadigheid van de rijken. De rijken zagen deze liefdadigheid als een grote deugd.
Men vond in de verlichting, dat de mens verbeterd kon worden door arbeid en onderwijs en na 1800 werd dit idee ook daadwerkelijk in de praktijk gebracht. Het resultaat was echter een mislukking. De bedoeling was dat men de arme mensen van de bevolking vlotte arbeiders wilde maken. Iedereen die niet rijk was werd automatisch als arm beschouwd. Vanuit deze achtergrond is deze instelling ontstaan.

Stichting van het Werkhuis en het Fonds

Om in Apeldoorn iets tegen de verpaupering te doen, richtte de bekende admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen in 1805 een lokaal van het paleis Het Loo in tot spinnerij om arme en hulpbehoevende inwoners van Apeldoorn werk te verschaffen. Per vergissing werd het in 1806 gesloten door Koning Lodewijk Napoleon. Hiertoe liet de Koning in 1807 het zogenaamde Werkhuis bouwen. Het jaar daarna nam hij het besluit om 100.000 gulden te schenken aan het Werkhuis in de vorm van staatsobligaties. De rente van dit fonds moest dienen “tot soulaas der inwoners” (steun voor de inwoners), bestaande uit de dorpen Apeldoorn en het Loo, Beekbergen, Loenen en Vaassen. Bij de gift van de Koning voegde hij een ‘giftbrief’ waarin bepaalde voorwaarde stonden waaraan de commissie moest voldoen om het geld te besteden.

Taken van de Instelling

Commissie van Apeldoorn en Het Loo
Artikel 3 van het Decreet van 1808 schreef voor dat het Fonds “tot soulaas der inwoners” moest dienen. Dit betekende in de praktijk dat de instelling voor werkverschaffing moest zorgen. De grens tussen bedeling en werkverschaffing was echter niet altijd goed aan te geven. In het begin van de 19e eeuw gaf nieuw aangestelde schout, J.A.J. Sloet, kritiek op de manier waarop de commissie van Apeldoorn en het Loo de inkomsten uit het Fonds besteedde. De commissie exploiteerde het werkhuis door aan weduwen en oude vrouwen werk te verschaffen in de vorm van vlas spinnen. Hiervoor ontvingen zij spinloon. Het merendeel bestond echter uit oude vrouwen, waardoor de productie niet bepaald hoog was en het eigenlijk meer een vorm van bedeling was. Tevens was er een wever die van de gesponnen vlas linnen weefde. Aangezien er vele klachten binnenkwamen over de kwaliteit van het linnen, werd dit in 1832 afgeschaft. Het vlasspinnen bleef nog mogelijk tot 1885 in de vorm van huisarbeid. Daarna kregen de bejaarde spinsters een uitkering. Dit alles werd gefinancierd door de gift van Koning Lodewijk Napoleon die 100.000 gulden bedroeg.
Op verzoek van de commissie werd in 1824 door koning Willem I toestemming verleend om in het grootste vertrek van het werkhuis een schoollokaal in te richten. Op 4 juli 1825 werd dit lokaal als armenschool in gebruik genomen. Deze heeft tot 1870 voortbestaan. Ook onderwijs in handwerken werd als een vorm van ‘‘soulaas’’ gezien. Vandaar dat men in 1844 een aparte naai- en breischool heeft ingericht. Deze hebben tot 1882 voortbestaan.
De overheid nam in de loop van de 19e eeuw steeds meer taken op het gebied van maatschappelijke zorg en onderwijs over, daarom werd de instelling steeds meer overbodig. Men probeerde daarom nieuwe interpretaties te vinden voor de gift van Koning Lodewijk Napoleon van 1808. Hierom werd besloten een bewaarschool te stichten voor kinderen van ouders die geen schoolgeld konden betalen. In 1882 werd het oude werkhuis daarvoor verkocht en gesloopt. De opbrengst werd besteed aan de aankoop van een stuk grond waarop een nieuw gebouw werd gebouwd en een woning voor de lerares. Deze school staat nog steeds in Apeldoorn, aan de huidige Molenstraat ten oosten van Kanaal-Noord. Uiteindelijk is de school door de gemeente overgenomen.
Naast het vlasspinnen en het geven van kosteloos onderwijs voor de minder vermogenden heeft men ook pogingen ondernomen om op andere wijze goed te doen aan de armen. Er is een plan geweest om koehaar te spinnen, maar door de slechte ervaringen elders is dit niet doorgegaan. Aan ontginning van heidegronden en bosbouw is men ook nooit begonnen, vanwege de hoge kosten en de slechte aan- en afvoermogelijkheden. Wél heeft men in 1852 meegeholpen aan het graven van een beek door het dorp Apeldoorn, ten dienste van een waterkorenmolen. Naast het verschaffen van werk werden ook subsidies en toelage verleend aan instellingen van liefdadigheid en aan leraren van lagere scholen voor het geven van kosteloos onderwijs aan arme kinderen.

Overige commissies en afdelingsbesturen
De commissies en afdelingsbesturen van Beekbergen en Loenen hebben zich voornamelijk gericht op het wegenonderhoud, waarbij arbeiders aan werk werden geholpen. Tot 1898 was er ook een vlasspinnerij voor weduwen en oude vrouwen.
In Beekbergen werd er ook wever onderhouden door het Fonds Koning Lodewijk Napoleon. Daarnaast werden er subsidies gegeven aan leraren van de Christelijke School in Lieren en de naai- en breischool in Beekbergen. Sinds 1922 werd de wijkverpleging in Beekbergen ook gesubsidieerd door het Fonds.
In Loenen focuste men zich vooral op het onderhoud en het verbeteren van wegen en het graven van sprengen. Ook werd er grind afgegraven dat werd verkocht en waarvan de opbrengst ging naar het Fonds.
In Vaassen heeft men werk verschaft in de vorm van vlas hekelen, spinnen en weven van linnen. Vanaf 1864 kwam er ook werk door ontginning van stukjes heidegrond die door de commissie werden aangekocht. Deze werden beplant met dennenhout. Het hout werd later weer verkocht.

Het hoofdbestuur
In de negentiende eeuw was het fonds verplicht gegevens aan de overheid te verstrekken over haar werkzaamheden. Sinds de oprichting van de armenraad was het fonds bij de overheid betrokken, omdat zij door de wet als een instelling van liefdadigheid werd gezien. Deze armenraad was een overlegorgaan met een coördinerende functie, waarbij hulpzoekenden zich konden aanmelden.

Onderzoek 5: Het Apeldoorns Kanaal

Stuk 5

Dit archiefstuk met betrekking tot het Apeldoorns Kanaal zijn de notulen die betrekking hebben op een vergadering omtrent de aanleg van het Apeldoorns Kanaal. Het gaat hier om het tweede stuk, het stuk tussen Apeldoorn en Dieren, dat zal worden voltooid in 1868. Het gaat erover dat sommige huizen de weg moeten ruimen voor het kanaal. Het is nog geschreven op het gehoor dus er zitten veel spelfouten in.

archief gemeente apeldoorn
1818-1915 invertaris nummer 1164

proces verbaal der zammenkomst van de commisie, ten uitvoering van artikel 10 de wet van 28 augustus 1851 staatsblad nummer 125, regelende de onteigening ten algeemen nutte, benoemd ten einde aantehoorn de bezwaren der belanghebbende tegen de richting (oprichting) van het kanaal van Apeldoorn naar Dieren in den ijsel bedoeld bij het ter inzage gelegde plan, van wege het departement van binnelandse zaken ontvangen

op heden den 6 augustus 1862 zijn, zo als werd aangekondigd bij de bekendmakingen, voorgeschreven bij artikel 11 der aangehaalde wet van 28 augustus 1851, namidags te 5 uure op het gemeentehuis te Apeldoorn te samengekomen de heeren E. L. baron van Voorsh tot Voorsh en M. W. baron van Heeckeren van Kells leden van het collegie van gedeputeerde staten en deze einde benoem door gedupeteerde staten bij hun besluit van de 15 juli 1862 (staatsblad) nummer 120 bijgestaan door den heer A. J. Brevet ingineur van den waterstaat alsmede de heer D. Bas Backer, burgemeester der gemeente Apeldoorn, nadat gecommitteerden zich overtuigd hebben dat aan de bepaling der evengemeld wet is voldaan zijn de belanghebbende opgeroepen.
daar echter niemand voor de commisie is verscheenen met bezwaren die betrekking hebbens tot het doel dezer zammenkomst, is de zitting gesloten en is daarop dit proces verbaal door alle tegenwoordiger getekend.

En hier nog een foto gemaakt van het originele document.

Onderzoek 6: Het onderwijs in Apeldoorn

Hoe heeft het lager onderwijs van Apeldoorn zich ontwikkeld in de 19e eeuw?
1800-1806. Een wet op het lager onderwijs  Geen verplicht vakkenpakket, maar wel zorg voor kwaliteit. Iedereen moet daarom deel kunnen nemen aan het onderwijs, arm en rijk. De schoolwet van 1806 democratiseert dus het onderwijs.
De schoolwet moderniseert het onderwijs ook. Men stelt eisen aan onderwijzers en hun salariëring, leermiddelen en schoolgebouwen.
Alle scholen vallen onder de schoolwet en schoolopzieners controleren of de scholen zich wel aan de wet houden.
Opvallend is het aantal leerlingen per seizoen sterk verschilt. Zo zijn er ’s zomers minder kinderen op school dan ’s winters, omdat kinderen in de zomer helpen de oogst binnen te halen
Het lager onderwijs was bedoeld om ‘armoede en misdaad’ te voorkomen. Het lager onderwijs had dus niet als voornaamste doelstelling om de kinderen wat te leren.
In de 19e eeuw ging elke stand naar zijn eigen soort scholen. Zo hadden de armen, de middenklasse en de adel hun eigen scholen. De armen kregen gratis onderwijs. Omdat het gratis onderwijs was, waren de klassen groot en het onderwijs niet echt heel goed. Een voorbeeld van zo’n armenschool in Apeldoorn was het in 1825 opgerichte armenschooltje aan de Vlijtseweg.
Ook ontstaan er scholen voor mensen uit de middenklas, dus voor mensen niet het geld hebben om naar een echt goede school te gaan, maar wel meer geld hadden dan de armen, dus op deze manier hoefden ze niet naar overvolle scholen van arme mensen. Dit waren de scholen opgericht door de maatschappij van Nut van het algemeen. In Apeldoorn kwam zo’n school voor het eerst in 1845. Deze nutscholen gaven ook ’s avonds les aan leerlingen die overdag niet konden of overdag te weinig hadden opgestoken. De Nutschool had halverwege de eeuw overdag zo’n 1000 leerlingen en ’s avonds 325 leerlingen.
Ook de adel had zijn eigen scholen, of er kwam een leraar aan huis om les te geven. De adel had vaak kleinere scholen met over het algemeen beter onderwijs.
In de periode tot 1850 heeft het lager onderwijs in Apeldoorn zich ontwikkeld. Een aantal scholen, die hierna in Apeldoorn zijn geopend voor het lager onderwijs zijn: de Koningsschool (1852) en de Koningin Julianaschool (1861). Dit was de eerste christelijke school die in Apeldoorn werd opgericht.
In 1857 werden de eerste bewaarscholen opgericht. Deze scholen waren een kinderopvang voor na schooltijd. Dit zorgde ervoor dat ook vrouwen konden gaan werken.
In 1861 komt er een lageronderwijs wet van Van Brughen waar eisen werden gesteld aan de gebouwen en inventaris. Deze wet stelde ook vakkenpakketten samen voor het lager onderwijs. De volgende vakken waren vanaf toen verplicht: Lezen, schrijven, rekenen, vormleer, Nederlandse taal, aardrijkskunde, geschiedenis, kennis der natuur en zingen.
In 1874 kwam er de kinderwet van S. van Houten. Hierin stond dat kinderen tot 12 jaar niet meer in een fabriek mochten werken. Op het land mocht je als kind nog wel werken. Ook werd deze wet niet gecontroleerd, waardoor kinderen bleven werken. In 1889 kwam daar verandering in. Toen werd de arbeidsinspectie ingevoerd. De kinderen mochten niet meer zo lang werken, waardoor er tijd over was om naar school te gaan. Hierdoor groeide het aantal leerlingen sterk.

Onderzoek 7: Kroegen/Herbergen in Apeldoorn

Welke herbergen/kroegen/tapperijen waren er zoal in Apeldoorn?
Apeldoorn had in de 19e eeuw een aantal herbergen, kroegen en tapperijen: 25 in totaal voor maar 225 huishoudens. Uitgaande van het principe dat in die tijd alleen de man naar dergelijke plaatsen ging, dan is dat 1 kroeg voor ongeveer 13 mannen(!). Er waren natuurlijk ook nog reizigers en niet elke herberg, kroeg of tapperij zat even vol.

De bekendere tapperijen lagen tussen de hoek van de huidige Kapelstraat, tussen de Korenstraat en de Mariastraat in. De twee bekendste, en ook de twee grootste, lagen tussen de Deventerstraat en de Dorpsstraat (tegenwoordig Hoofdstraat). Dit waren stalling, stalhouderij en tapperij ‘Den Gouden Leeuw’, en logement, uitspanning en diligencedienst ‘De Moriaen’.


De meeste herbergen bevonden zich aan de toenmalige Dorpsstraat, de Deventerstraat, de Korenstraat en de Oude Arnhemseweg. Enkele bekende waren Herberg ‘Den Arend’(later Hotel-café van den Burg), Café Park Tivoli en Herberg De Keizerskroon.

De meeste tapperijen en kroegen in deze tijd waren een nevenfunctie naast het dagelijks werk, omdat men er in die tijd nog niet van kon rondkomen. Men gebruikte een tapperij of kroeg dus vooral als bijbaantje. Wanneer een tapperij of kroeg als fulltimebaan gebruikt werd, kreeg deze meestal nog een aantal andere functies mee; er werd een stalling en
logement bij gebouwd. In essentie werden dit dus gewoon herbergen. Andere voorbeelden hiervan zijn Het Posthuis, De Nieuwe Kroon en Het
Hert.

Wat was het doel van de herbergen/kroegen/tapperijen?
Het voornaamste doel ligt natuurlijk nogal voor de hand. Herbergen, tapperijen en kroegen deden dienst als ontmoetingsplek, het liefst onder het genot van een alcoholische versnapering. Verscheidene tapperijen brouwden hun eigen ‘Apeldoornse bier’, herbergen dienden als overnachtingsplek en als stalling voor paarden na een vermoeiende reis, en ook kroegen schonken allerlei soorten alcohol.
Maar dit was niet hun enige doel. Bijvoorbeeld Herberg Den Arend werd door tal van verenigingen gebruikt als plaats voor een uitvoering van hun kunnen. Boven de inrijstal was een aparte ruimte, die vele malen door vereniging ’t Nut en sociëteit Den Eendracht als vergaderzaal werd gebruikt. Bovendien waren de vloeren stevig gestut vanwege vele danspartijen.

Ook Park Tivoli had een dergelijk doel. Zoals eerder is verteld was dit het centrum van cultureel leven, en het café deed zijn naam ook eer aan. Tal van tentoonstellingen, vergaderingen, bazars, toneelvoorstellingen en concerten zijn hier gehouden. De klapstoeltjes en stellages die eerder zijn genoemd herbergden de meeste gasten, maar nog was het vaak extreem vol in dit soort gelegenheden. De tuin van Park Tivoli bevatte een kegelbaan, verschillende prieeltjes, en was ook vaak het toneel van zondagmiddagconcerten.

Onderzoek 8: Landgoed Marialust

Apeldoorn, dorp van het papier. De Vlyt, één van de grootste papierfabrieken van Apeldoorn. De hedendaagse villa Marialust heette vroeger de Vlyt en maakte deel uit van het gelijknamige landgoed. Rijke heren bezaten de grond en de fabrieken. Van Ameshoff en Brewer tot de Fielliettaz Goethart en de Heus.
Hierboven een originele plattegrond van het landgoed uit 1890 en daarboven een fragment uit een VVV-gidsje uit 1898. Wij zijn het archief ingedoken van CODA en hebben het verhaal achter deze villa ontdekt.

onderzoek 9: Bestuursveranderingen 1805-1818

Bestuursveranderingen (1805-1818)

Onderwerp onderzoek: Bestuursveranderingen in Apeldoorn van 1805 tot 1818
Hoofdvraag: Hoe ontwikkelde het Apeldoornse bestuur zich van 1805 tot 1818?
Hypothese: Waarschijnlijk is het bestuur in die tijd omgezet in Franse bestuursvormen

Verloop van onderzoek:
Naar mijn herinnering zijn we 3 keer met de klas naar het archief geweest. Vanaf af het begin is de rolverdeling zo geweest dat Nander en Iris vooral in boeken zochten naar informatie en dat Sebastiaan het archief doorspitte opzoek naar een opzienbarend archiefstuk. Na deze collectieve archief bezoekjes heeft Sebastiaan nog een keer het archief op eigen initiatief bezocht, om nog een archief stuk op te vragen waar hij tijdens de collectieve bezoekjes geen tijd meer voor had. Vervolgens zijn we met alle verzamelde informatie het volgende verslaag gaan maken.

Het verslag:
Voor Apeldoorn geld nattuurlijk dezelfde geschiedenis, als voor heel nederland, dus laten we daar mee beginnen.
In april 1805 werd Rutger Jan Schimmelpenninck benoemd tot raadpensionaris door Napoleon.
In 1806 werd hij vervangen door de broer van Napoleon, Lodewijk Napoleon, de benoemd werd tot koning van het koninkrijk Holland. Op 2 juli 1810 doet Lodewijk Napoleon afstaand van de troon en word Nederland door Frankrijk ingelijfd. Toen kreeg Charles-François lebrun de hoogste macht over de voormalige nederlanden in naam van Keizer Napoleon. Na de afzetting van Napoleon in 1814 kwam de eenwording van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en het prinsdom luik.
Op 16 Maart 1815 word Willem I Koning der Nederlanden.
Wat betekende dit allemaal voor het lokale bestuur? Feitelijk veranderde er maar heel weinig in het lokale bestuur, tijdens de franse tijd werd de Landdrost Préfet, de Kwartierdrost Sous-Préfet en de Assessoren werden Conseillers de Préfecture. Dit alles werd vervolgens na de franse tijd gewoon weer omgedraaid. Voor de Franse tijd behoorde Apeldoorn tot het gebied Nederveluwe, tijdens de Franse tijd behoorde Apeldoorn tot het departement Boven-IJssel (=Yssel Supérieur).

Archiefstukken:
De gevonden archiefstukken zijn bijelkaar twee brieven aan de gemeente apeldoorn, de één uit 1804 en de ander uit 1806. Allebei deze brieven beginnen met: “Instructie waarna de ambts dienaren van Neder-Veluwe zich zullen moeten gedragen.” Wat opvalt is, dat als je deze instructies vergelijkd, artikel 1 van allebei deze instructies precies hetzelfde is. Art.1: Zij zullen den Drost en Scholtis alle gehoorzaamheid hun officie aangaande moeten bewijzen. Tot het dertiende artikel zijn deze instructies precies gelijk. De instructies uit 1804 gaan niet verder dan artikel 13, terwijl de instructies uit 1806 doorgaan tot artikel 15.
Aan deze archiefstukken zie je opnieuw, dat er tijdens deze periodes van veranderingen in het landelijk bestuur, het regionale bestuur nouwelijks veranderd. Alleen na 1806 krijgen de Ambtenaren 2 verplichtingen meer, namelijk artikel 14 en artikel 15.
Artikel 14 gaat over een eed die elke ambtenaar moet afleggen aan de Drost en Artikel 15 is een rechtvaardiging van de macht van de Drost.

© Gymnasium Apeldoorn - Powered by Admino - Ontworpen door Monito