Home > Wiki > begeleiding bovenbouw > Begeleiding in de bovenbouw

Begeleiding in de bovenbouw

In klas 4 maakt de leerling een nieuwe start in de Tweede fase. Iedere leerling heeft een profiel gekozen en alle leerlingen krijgen les in clustergroepen: dit zijn klassen in steeds wisselende samenstellingen. Om de overgang van onderbouw naar bovenbouw zo goed mogelijk te laten verlopen, houdt de leerling in principe de mentor van klas 3. De leerlingbegeleiding verandert wel van karakter. De nadruk ligt nu op het ontwikkelen van de zelfstandigheid van de leerling. Regelmatig zal de mentor gesprekken voeren over de studie en de studievoortgang. Daar waar stagnatie optreedt, zal de mentor samen met zijn pupil zoeken naar oplossingen. Regelmatig brengt de mentor verslag uit van de vorderingen. Dit gebeurt telefonisch, schriftelijk of via e-mail. Voor de ouders is de mentor aanspreekpunt binnen de school. Tevens begeleidt de mentor de leerlingen bij hun oriëntatie op studie en beroep.

Klas 5 en 6
Ook in klas 5 en 6 is begeleiding nodig in de leer- en keuzeprocessen die een leerling doormaakt. Juist in een periode van identiteitsontwikkeling en groeiende behoefte aan autonomie heeft een leerling iemand nodig van wie hij feedback krijgt en met wie hij reflecteert op zijn functioneren. Met de afdelingsleider houdt de mentor het overzicht over het functioneren van de leerling en zij ondernemen tijdig actie in de zin van de leerling stimuleren tot zelfreflectie en het zich stellen van doelen. Wanneer daar aanleiding toe is, nemen zij contact op met de ouders. In principe krijgt een leerling in klas 5 een nieuwe mentor en behoudt hij deze tot aan het eindexamen. Deze mentor heeft ongeveer vijftien pupillen onder zijn hoede en van elk van hen heeft hij de verzamelde informatie uit de voorafgaande leerjaren.
De taak van de mentor is het voeren van gesprekken met zijn pupil. Hierbij wordt de voortgang van de studie besproken. Factoren die een stagnerende invloed hebben worden opgespoord. De leerling wordt gestimuleerd tot het formuleren van actieplannen, tot het reflecteren op behaalde resultaten en de daaronder liggende processen en tot het vinden een oplossing. Het initiatief tot contact ligt zowel bij de mentor als bij de leerling, dit is wezenlijk anders dan in klas 4.
Twee keer gedurende het schooljaar neemt de mentor contact op met de ouders van zijn pupillen; op andere momenten alleen wanneer daar aanleiding toe is. Vanzelfsprekend fungeert de mentor voor de ouders ook als aanspreekpunt binnen de school.

Uitgangspunt blijft: leerlingbegeleiding is geen probleembegeleiding, maar leer- en keuzeprocessen van de leerling staan centraal. Vandaar ook dat in klas 6 het initiatief tot contact met een begeleider meer bij de leerling gelegd wordt: hij kan een afspraak maken met de mentor.

  • OlympiadeSchool Gymnasium Apeldoorn
  • reanimatie
  • cambridge-english-logo
  • Gymnasium Apeldoorn 2016-2017
  • Gezonde school